Huidige standaardbehandeling van hepatitis C

Vorige pagina Print

Chronische hepatitis C virus infectie (HCV) heeft pandemische proporties aangenomen.

Slechts ca 20% van de HCV geïnfecteerden slagen erin binnen 6 maanden het virus te klaren. Alle overige patienten krijgen een chronische hepatitis en houden blijvend een viremie.

In het laboratorium vinden we dan een wisselend verhoogd ALAT als teken van een leverontsteking. Mensen met een chronische hepatitis hebben in het algemeen geen of zeer weinig verschijnselen of klachten. Slechts bij een minderheid ontstaan niet-specifieke verschijnselen zoals moeheid of malaise.

Na tien tot dertig jaar heeft zich bij 10-20% van de geïnfecteerden een levercirrose ontwikkeld, veelal nog zonder ernstige ziekteverschijnselen.

Symptomen van leverdysfunctie (geelzucht, ascites, gastrointestinale bloedingen) treden vaak pas op wanneer de ziekte al in een vergevorderd stadium is. De snelheid waarmee levercirrose optreedt na een HCV-infectie is sterk wisselend. Bij enkelen is er al binnen enkele jaren een cirrose, bij anderen is er gedurende vele jaren geen progressie.

Een aantal risicofactoren is geassocieerd met een snelle progressie naar cirrose: mannelijk geslacht, leeftijd waarop de infectie wordt opgelopen (hoger risico op cirrose indien infectie bij patiënt ouder dan 40 jaar), wijze van besmetting (bloedtransfusie hoger risico dan IV druggebruik) en geassocieerde ziekten (bv. alcoholisch leverlijden, HIV- of HBV-coïnfectie).

Gebleken is dat de patiënten met een HCV-geassocieerde levercirrose jaarlijks 1-4% kans lopen om een hepatocellulair carcinoom te ontwikkelen.

Er zijn inmiddels zeker 6 HCV genotypes goed bekend. Deze indeling is relevant omdat de kans op genezing na behandeling sterk afhangt van het genotype. In Nederland komt genotype 1 het meest voor gevolgd door genotype 3, 2 en 4. Genotype 2 en 3 zijn gevoeliger voor behandeling dan genotype 1 en 4.

Behandeling voor HCV dient bij alle patiënten overwogen te worden. Zoals steeds dient er een afweging te worden gemaakt tussen te verwachten winst en mogelijke nadelen van de behandeling.

Bij succesvolle behandeling verbetert het pathologisch beeld van de lever met afname van fibrose en daalt waarschijnlijk de kans op het ontstaan van een HCC.

Een belangrijke contra-indicatie is het bestaan van vergevorderde cirrose vanwege de kans op decompensatie, en significante comorbiditeit.

Over het algemeen bestaat de behandeling van hepatitis C uit een combinatie van ribavirine met peginterferon, bij genotype 1 wordt boceprevir of telaprevir aan de behandeling toegevoegd. 

De belangrijkste indicator van het succes van een behandeling voor is het verdwijnen van HCV RNA uit het serum, 24 of 48 weken na het stopzetten van de behandeling. De behandelduur is afhankelijk van het HCV genotype en de virusload tijdens de behandeling. Bij besmetting met genotype 1 of 4 zal ~50-80% van de behandelde patiënten responderen. Bij patiënten besmet met het genotype 2 of 3 kan dat zelfs oplopen tot 80-90% van de behandelde personen. Behandeling met interferon kent vele bijwerkingen, variërend van een griepachtig beeld, auto-immuunreacties, en depressie. Ribavirine kan hemolyse als bijwerking hebben.

Vanaf 2014 zijn nieuwe middelen, de Direct Acting Antivirals (DAA's), voor de behandeling van hepatitis C beschikbaar. Middelen met een hoog genezingspercentage. Lees meer over deze nieuwe middelen in Behandeling chronische hepatitis C

Bekijk de presentatie 'Huidige standaardbehandeling van hepatitis C' (2010)

Bekijk
Richtlijn Behandeling chronische hepatitis C,
Behandeling hepatitis C,
Hepatitis C.

Bijgewerkt 05-10-2016.