Kan hepatitis B behandeling met nucleotide-analogen gestopt worden?

Vorige pagina Print

17-04-2018  Onder bepaalde voorwaarden kan behandeling van hepatitis B gestopt worden, maar controle blijft noodzakelijk.

In HBeAg-negatieve patiënten die behandeld worden met nucleotide analogen met een hoge barrière tegen resistentie (entecavir of tenofovir/TAF) wordt in >90% virale suppressie en in >70% een normalisatie van de leverenzymen bereikt. Slechts bij 1% wordt het HBsAg negatief. Daarom is het advies tot nu toe om deze therapie levenslang te geven. Op basis van de etiologie van hepatitis B wordt verwacht dat stoppen met therapie kan leiden tot virale rebound (verhoging van de virale load) die gevolgd kan worden door een immuun-gemedieerde hepatitis ‘flare’ (opvlamming van de geelzucht). Dit kan leiden tot immuuncontrole van de hepatitis B infectie maar kan ook leiden tot een acute, levensbedreigende hepatitis.

Recent bewijs uit studies die met name in Aziatische landen zijn uitgevoerd laten zien dat  nucleotide therapie gestopt kan worden in patiënten waarin het HBV-DNA ondetecteerbaar is geworden in tenminste 3 metingen met 6 maanden tussentijd. Een belangrijke voorspeller voor het ontstaan van een virologische rebound is de duur van het ondetecteerbaar zijn van het HBV DNA en een laag HBsAg-level. Een HBV rebound met een virale load van 2.000-20.000 IU/mL ontstaat in ca 50% van de patiënten die meer dan 2 jaar een ondetecteerbare virale load hadden tijdens therapie. Therapie kan alleen gestopt worden in patiënten die nauwkeurig gemonitored kunnen worden met HBV DNA en leverenzymen. Uit recente studies blijkt dat in een deel van de patiënten (ca 13% 6 jaar na stoppen therapie) HBsAg-negatief is geworden. Hepatitis flares werden gerapporteerd in patiënten met cirrose die therapie met nucleotide analogen stoppen. In patiënten met cirrose wordt stoppen met nucleotide-therapie daarom niet geadviseerd.

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat het mogelijk is om met nucleotide-therapie te stoppen in HBeAg-negatieve patiënten na langdurige virale suppressie. Een virale rebound of hepatitis-flare moet nauwkeurig gemonitored worden en zo nodig moet de therapie weer gegeven worden. Het risico op virale rebound en een hepatitis flare is het hoogst in patiënten met cirrose.  Monitoring met kwantitatieve HBsAg, HBV DNA en ALT is behulpzaam bij het besluiten of therapie gestopt kan worden en in de periode na het stoppen met de therapie.

Bronnen:

EASL 2018 postgraduate course F. Villerat, F. Zoulim.

Papatheodoridis G, et al. Discontinuation of oral antivirals in chronic hepatitis B: a systematic review. Hepatology 2016; 63: 1481-1492.

Berg T, et al. Long-term response after stipping tenofovir disoproxil fumarate in non-cirrhotic HBeAg-negative patients – FINITE study. J Hepatol 2017; 67: 918-924.

Jeng WJ, et al. Incidence and predictors of HBsAg seroclearance after cessation on nucleos(t)ide analogue therapy in HBeAg negative chronic hepatitis B. Hepatology 2017 (E-pub ahead of print).

APASL guideline hepatitis B. Sarin SK, et al. Hepatol Int 2016; 10: 1–98. https://link.springer.com/content/pdf/10.1007/s12072-015-9675-4.pdf

Meer nieuws
Meest bezocht
Hepatitis symptomen
Hepatitis E symptomen / ziekteverschijnselen
Hepatitis B
Hepatitis B serologie
Hepatitis C behandeling
Hepatitis A
Meer informatie
Over deze website
Agenda
Links
Stel een vraag
Nieuwsbrief
Volg ons op Twitter
Aanmelden nieuwsbrief