Hepatitis E Bijgewerkt op 06.11.19

Hepatitis E wordt veroorzaakt door een besmetting met het hepatitis E-virus (HEV). Er zijn vier genotypen hepatitis E, genummerd 1 t/m 4. Deze genotypen verschillen in epidemiologie, gastheer en transmissie. Het genotype 3 is vooral in Nederland en andere Westerse landen van belang.

Ziekteverschijnselen
Een infectie verloopt meestal acuut en zonder symptomen. De incubatietijd van hepatitis E is 2 tot 8 weken. Uitbraken van hepatitis E met symptomen van acute geelzucht, malaise, verminderde eetlust komen voor in Aziatische landen waar het genotype 1 of 2 endemisch is. Besmetting met genotype 1 kan in de zwangerschap een ernstig beloop hebben bij de zwangere. In Nederland komt vooral het genotype 3 voor. Besmetting geeft meestal geen klachten. Als er symptomen zijn dan kan dit zijn: koorts, misselijkheid en in een later stadium geelzucht, buikpijn, verminderde eetlust. Bij patiënten met een (sterk) verminderde immuniteit kan een hepatitis E infectie echter chronisch worden en kan de ziekte ernstig verlopen (progressieve levercirrose).

Transmissie
Het hepatitis E-virus genotype 1 en 2 worden overgedragen door voedsel en besmet drinkwater. Het genotype 3 en 4 hebben als reservoir dieren en incidenteel worden besmettingen waargenomen, in Nederland betreft het vooral genotype 3. Het genotype 3 komt voor bij varkens, herten en wilde zwijnen. Besmetting naar de mens vindt plaats door het drinken van met hepatitis E besmet water of het eten van rauw of onvoldoende verhit vlees van besmette dieren, vooral lever (leverworst).

Prevalentie hepatitis E
Het genotype 1 is endemisch in Azië en Zuid-Amerika, het genotype 2 is endemisch in Afrika en Midden-Amerika. Het genotype 3 komt wereldwijd voor, het genotype 4 komt voornamelijk voor in Oost-Azië.

De transmissie van genotypen 1 en 2 vindt vooral plaats via besmet water en voedsel. Uitbraken van hepatitis E genotype 1 of 2 komen voor in Afrikaanse en Aziatische landen. Het genotype 2 heeft alleen de mens als gastheer en heeft geen dierlijk reservoir, terwijl het genotype 1 ook bij varkens gezien wordt. De genotypen 3 en 4 komen voor bij mensen en dieren. Contact met dieren en/of uitwerpselen van dieren is vaak de besmettingsbron.

De prevalentie van hepatitis E in Nederland is onderzocht in bloeddonoren. Op 25-jarige leeftijd heeft ongeveer 20% een infectie met hepatitis E doorgemaakt, en dat loopt op naar ongeveer 60% op 65-jarige leeftijd. Personen die een infectie net hebben doorgemaakt dragen het virus tijdelijk in hun bloed; daarom worden bloeddonaties getest op het hepatitis E virus.

Voorkómen van een infectie
Hepatitis E is te voorkomen door vermijden van contact met dierlijke uitwerpselen (varkens, herten, wilde zwijnen) en voldoende gegaard voedsel eten. Bij patiënten die een sterk onderdrukt immuunsysteem hebben is het raadzaam geen onvoldoende gegaard varkens- of hertenvlees te eten en op te passen met leverworst en lever.

Er is een vaccin tegen hepatitis E ontwikkeld en in China op de markt gebracht. Het beschermd tegen de genotypen 1 en 4. Andere vaccins zijn in ontwikkeling.

Behandeling
Een acute hepatitis E infectie verloopt meestal asymptomatisch. Een acute hepatitis E infectie wordt niet behandeld. Bij immuungecompromitteerde patiënten met een hepatitis E infectie wordt ribavirine gegeven (experimenteel).

Diagnose
Een infectie met het hepatitis E-virus wordt aangetoond door de aanwezigheid van het HEV-RNA in het bloed. Als alleen antistoffen aanwezig zijn en het HEV-RNA is negatief, dan spreken we van een doorgemaakte infectie.

In de kennisbank is meer informatie over hepatitis E te vinden.


Referenties

Hepatitis E Fact sheet WHO

LCI richtlijn Hepatitis E

MLDS

Meer uitleg nodig?

Heeft u niet gevonden wat u zoekt? Neem dan contact met ons op.

Stel een vraag

Is deze bron betrouwbaar?

Lees meer over hoe deze website tot stand is gekomen.

Lees verder